Chronicle 2001: Hendrick and Gerrit Uylenburgh, old and new


The Rembrandt House Chronicle 2001 / 1 - 2

Hendrick and Gerrit Uylenburgh, old and new

J. van der Veen

summary

Presented here are some new documentary finds relating to Rembrandt's association with Hendrick Uylenburgh (c.1584/9-1661, notes 1-5), along with notes on two drawings attributed to him.


Two 'Uylenburgh' drawings

The long-held attribution of two drawings to Hendrick Uylenburgh has proved untenable. The landscape in the British Museum bears on the back the signature of Isaac Uylenburgh, Hendrick's second son (notes 6, 7), about whom little is known, except that he went abroad early in the 1660s. The Rest on the Flight into Egypt is inscribed on the back, 'roelant uijlenburgh' (note 8), which may be a mistake for Hendrick's brother Rombout. While the first drawing dates from the mid-17th century, the second must be of the 1620s or 1630s.


Hendrick Uylenburgh's financial borrowings

On 18 July 1634, Hendrick Uylenburgh wrote down his name and motto in the album of the German Burchard Grossmann, also stating his profession as art dealer, while Joachim von Sandrart described him as 'famous' in that respect. Among the loans acquired to finance his business was one of 1,000 guilders from Rembrandt (notes 11, 12). This loan required a five percent interest charge and had the option of repayment after a year. The previously unnoticed rough version of this document reveals that the loan was originally 50 guilders more and states the terms of repayment (notes 13, 14), thus making unlikely the supposition that Rembrandt had to buy into Uylenburgh's business in this way: the sum was too large, the rate of interest was usual for a loan at that time and Rembrandt was entitled to get it all back within a relatively short space of time.

That Uylenburgh was in no hurry to repay the loan of 1,600 guilders obtained from the Mennonite merchants Gilbert de Flines and Pieter Sijen in 1639 (note 16) is revealed by a document showing him still owing it all in December 1650 (note 18). Repayment of the loan negotiated in 1640 from seventeen people (note 19), Rembrandt included (note 20), proved equally protracted: the widow of the merchant Jan Gerritz. Hooft (1584-1644) was still owed 400 guilders in 1654, while Nicolaes van Bambeeck was not fully paid until 1660 (note 23). New documents relating to the loan of 1,000 guilders from the Mennonite community in 1641 reveal that only the interest had been paid by 1646 and only half the sum by 1654, Gerrit Uylenburgh repaying the rest three years later (note 28).

The discovery of a record of an earlier loan in 1627 of 500 Frankfurt florins (note 31) is of exceptional interest in that it lists 21 paintings that formed part of the guarantee. Most striking is an Atalanta by Abraham Janssens (1576-1632), who is known to have made two versions of the subject (note 32). They also included a grisaille evidently by Frans Floris (1519/20-1570) himself (note 33) and a still life by Geerart van den Bossche, who became a member of the Antwerp Guild in 1623 (note 34), all this evincing close contacts with Antwerp dealers and painters. Sixteen of the pictures, mostly grisailles of biblical subjects, were by Rombout Uylenburgh. This debt was repaid in August 1628.


Hendrick Uylenburgh's family firm

The only work now attributed to Rombout Uylenburgh (1580/85-1628) is a 1616 portrait of Jan Gerritsz. van Embden, a Menonite teacher at Danzig. As 'painter to the King of Poland', Rombout became a citizen of Cracow in 1610, afterwards moving with the king to Danzig. He and Hendrick were in close contact and the latter did much business in Poland (note 37).

Hendrick's children must also have been brought up in his workshop, most notably the landscape painter Gerrit (note 38), who took over the business in the mid-1650s. He may have trained under Govert Flinck in 1637 and he perhaps later adopted the style of Roelant Roghman (1627-1692), in view of the attribution first to Roghman and then to 'Uijlenbergh' of a landscape in an Amsterdam estate of 1702 (notes 39, 40). Gerrit, who is now known to have died in 1679 (note 41), went to London in 1677 and at the end of 1678 was put in charge of the king's pictures (note 42), while he is also said to have worked for Peter Lely (1618-1680, notes 39, 40). Abraham Uylenburgh worked in Ireland as painter to the Duchess of Ormond and there exist references to two flower paintings by one of Uylenburgh's daughters (notes 45, 46).


Notes

1 A. Bredius, Künstler-Inventare. Urkunden zur Geschichte der holländischen Kunst des XVIten, XVIIten und XVIIIten Jahrhunderts, 7 dln. met afz. register, 's-Gravenhage 1915-1922, dl.5, pp. 1660-1690.
2 J. Six, 'La famosa accademia di Eeulenborg', Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 1925-1926, pp. 229-241.
3 H.F. Wijnman, 'Rembrandt als huisgenoot van Hendrick Uylenburgh te Amsterdam (1631-1635)', in: Uit de kring van Rembrandt en Vondel. Verzamelde studies over hun leven en omgeving, Amsterdam 1959, pp. 1-18, 180-181 en 182.
4 S.A.C. Dudok van Heel, 'Het “schilderhuis” van Govert Flinck en de kunsthandel van Uylenburgh aan de Lauriergracht te Amsterdam', Jaarboek Amstelodamum 74(1982), pp. 70-90.
5 B.W. Meijer, 'Gerard Uylenburgh's Italian paintings', Oud-Holland 113(1999), pp. 75-87.
6 Inv.nr. Oo.9-15; A.M. Hind, Catalogue of drawings by Dutch and Flemish artists preserved in the Department of Prints and Drawings in the British Museum, 5 dln., Londen 1915-1932, dl.4, p. 72, nr. 1, pl.XLIII. Hierbij wil ik Peter Schatborn bedanken voor zijn deskundig kommentaar op de hier besproken tekeningen.
7 Deze benoemden in hun testament van 15 juli 1634 hun kinderen Gerrit, Isack, Sara, Anna, Susanna en Lyntgen tot hun erfgenamen, Bredius a.w. (noot 1), p. 1687 (e).
8 Inv.nr.RP-T-1931-184; M. Schapelhouman en P. Schatborn, Dutch drawings of the seventeenth century in the Rijksmuseum, Amsterdam. Artists born between 1580 and 1600, I/II. Catalogue of the Dutch and Flemish drawings in the Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum, Amsterdam, 2 dln., Amsterdam/Londen 1998, dl.1, p. 147, nr. 311 en dl.2, p. 166, afb. 311.
9 W.L. Strauss en M. van der Meulen, The Rembrandt Documents (hierna: RD), New York 1979, 1634/6.
10 A.R. Peltzer, Joachim von Sandrarts Academie der Bau-, Bild- und Mahlerey-Künste von 1675, München 1925, p. 194.
11 A. Bredius en N. de Roever, 'Rembrandt: nieuwe bijdragen tot zijne levensgeschiedenis', Oud-Holland 5(1887), pp. 210-239, i.h.b. 213 en C. Hofstede de Groot, Die Urkunden über Rembrandt (1575-1721), 's-Gravenhage 1906, nr.20.
12 RD 1631/4.
13 Gemeentearchief Amsterdam (GAA), notaris G. Jellisz. Selden, Notarieel Archief (NA) 945, fol.25v, dd 20 juni 1631.
14 ibidem, NA 946, akte 52, p.60, dd 20 juni 1631; Bredius en De Roever hebben dit stuk gezien, want ze drukten in hun artikel (zie noot 11) de signatuur van Hendrick Uylenburgh in facsimile af.
15 Dat de schuldenaar de akte liet opstellen en dus niet, zoals men zou verwachten, de geldschieter kwam toentertijd vaak voor, zie A.Fl. Gehlen, Notariële akten uit de 17e en 18e eeuw. Handleiding voor gebruikers, Zutphen 1986, p. 97.
16 GAA, not. L. Lamberti, NA 599, pp.600-602, dd 2 april 1639; deze transportakte is beknopt weergegeven in Bredius a.w. (noot 1), dl.5, p. 1687 (f), maar niet in de RD opgenomen.
17 B. van den Boogert (red.), Rembrandts schatkamer, Zwolle 1999, pp. 38-39, 59 en 110-111.
18 GAA, not. L. Lamberti, NA 604, p.20, dd 12 december 1650.
19 GAA, not. J. Jansz. Westfrisius, NA 557(A), fol.21-22, dd 20 januari 1640 en RD 1640/2.
20 De naam 'Rembrandt van Rijn' is in de marge van de minuutakte (zie vorige noot) bijgeschreven; eronder staat de handtekening van Hendrick Uylenburgh. Was Rembrandt domweg vergeten? Of had hij zich pas in een laat stadium aangemeld?
21 'Hendrick Uijlenburgh, schilder, is schuldich p. reste van reeck. f 400:-:-', GAA, not. Joh. Hellerus, NA 2088, pp.798-808, dd 29 juli 1654, i.h.b. 806.
22 Zie over hen: S.A.C. Dudok van Heel, 'De familie van Pieter Cornelisz. Hooft', Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 35(1981), pp. 68-108, i.h.b. 100-101.
23 GAA, not. A. Eggericx, NA 1823, p.1008, dd 3 november 1655, Bredius, a.w. (noot 1), dl.5, p. 1689 (p) en het kommentaar bij RD 1640/2.
24 'Sr. Oulenborgh op ten Dam in de Bril, debet 70 gl.', GAA, Archief nr. 5073, inv.nr.1371, lade 179, dd 3/4 maart 1651.
25 Daarvan is althans in zijn sterfhuisinventaris geen sprake, GAA, not. N. Kruijs, NA 1856, pp.749-752, dd 17 maart 1655.
26 Zo participeerde Jan Carels 'wegen Jasper Tongerlo'. In de inventaris van Cornelis van Tongerloo wordt genoemd onder de debiteuren die vermeld stonden in een grootboek (waarvan Cornelis tweederde toekwam en zijn broer Hendrick van Tongerloo de rest): 'Gerret Uijllenburgh f 66:10:-', GAA, not. B. Coornhart, NA 2858, fol.307-331v, dd 17/24 augustus 1657, i.h.b. 329v. In het sterfhuis hingen 'twee achtcante schilderijen van Uijlenburgh', ibidem, 313. In de akte van scheiding is de schuld opnieuw vermeld, NA 2861, akte 27, dd 22 augustus 1658. Deze kan met geleverde koopwaar in verband staan: Cornelis van Tongerloo was lakenkoopman. Op de lijst van debiteuren staan bijvoorbeeld de schilders Elias Vonck en Simon Luttichuys met kleine bedragen. De oudste zoon van Cornelis van Tongerloo heette Jasper. Was hij de geldschieter?
27 GAA, Archief nr. 1120, inv.nr. 148, fol.73, dd 22 april 1641 en Wijnman a.w. (noot 3), p. 15, noot 3. Dat Uylenburgh een zekerheid diende te geven was niet gebruikelijk, althans er wordt bij andere leningen die in het bewuste 'schuldtboeck' staan ingeschreven zelden of nooit melding van gemaakt. Uylenburghs bemoeienis met het uitgeven van grafiek is onduidelijk. Behoudens de derde staat van Rembrandts Kruisafname (B. 81) zijn geen prenten met zijn adres bekend, zie E.B.M. Hinterding, Rembrandts als etser. Twee studies naar de praktijk van productie en verspreiding, z.pl. 2001, pp. 92-96. Op 12 februari 1638 kocht Uylenburgh op de veiling van Gommer Spranger voor f 1:16:- '1 geëste plaett van Spranger', GAA, Archief nr. 5073, inv.nr.962, dd 9-13 februari 1638. Hollstein's Dutch and Flemish etchings, engravings and woodcuts, dl.28 vermeldt van Bartholomeus Spranger (1546-1611) zes etsen.
28 GAA, Archief nr. 1120, inv.nr. 149, fol.24, dd 1 en 30 januari 1646, 6 september 1654 en 12 juli 1657.
29 Wijnman a.w. (noot 3), p. 16.
30 S.A.C. Dudok van Heel, 'De schilder, zijn leven, zijn vrouw, de min en het dienstmeisje', Kroniek van het Rembrandthuis 2000/1-2, pp. 1-40, i.h.b. 30.
31 GAA, not. J. Warnaertz., NA 661, fol.131v-132, dd 26 maart 1627. De Frankfurter florijn of Duitse goudgulden gold 28 stuivers en was derhalve meer waard dan de (carolus) gulden waarin 20 stuivers gingen.
32 E. Larsen, '“Meleager und Atalante” in der Konzeption von Abraham Janssens, Rubens und Jordaens', Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen 1995, pp. 177-194.
33 C. Van de Velde, Frans Floris (1519/20-1570). Leven en werken, 2 dln., Brussel 1975, dl.1, pp. 99-103.
34 Gegevens over deze schilder in: Sauer, Allgemeines Künstler-Lexikon, dl.13, p. 159 alwaar F. Meijer wijst op een stilleven (hier afb. 5) in de stijl van Frans Snijders en Paul de Vos (cat. Old Master Paintings and British Paintings 1550-1850, Sotheby's Londen, dd 24 oktober 1984, nr.99). In 1662 komen in de nalatenschap van een Haagse kunstliefhebber de volgende zes werken voor: 'ho[e]nderen en kalkoenen', 'een sweynshoofte', 'eenige bossen sperjes', 'nogh 2 stuckies met ho[e]nderen' en 'een uuyl op een tack' alle 'geschildert bij Gerrit van den Bosch', GA De Haag, not. J. Lissant, NA 507, fol.252-302v en A. Bredius, 'Een kunstverzamelaar der 17e eeuw', in: F.D.O. Obreen, Archief voor Nederlandsche kunstgeschiedenis, 7 dln., Rotterdam 1877-1890, dl. 5, pp. 293-315.
35 RD 1637/3 en 1656/12, nrs. 44 en 107.
36 Rombout Uylenburgh was getrouwd met een zuster van een Leidse bierbrouwer.
37 Zie daarover het goed gedocumenteerde artikel van F. Lammertse, 'Van Dyck's Apostles series, Hendrick Uylenburgh and Sigismund III', The Burlington Magazine 144(2002), pp. 140-146; aan te vullen met: O. Schutte, Repertorium der buitenlandse vertegenwoordigers, residerende in Nederland 1584-1810, 's-Gravenhage 1983, p. 546.
38 A. Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, 3 dln., Amsterdam 1718-1721, dl.2, pp. 293-294.
39 GAA, not. G. Ypelaer, NA 5335, pp. 37-182, dd 7 februari 1702, i.h.b. 96.
40 Houbraken a.w. (noot 38), dl.1, p. 174.
41 R. Lambour, 'Doopsgezind of niet? Sybrandt Hansz Cardinael, Abraham de Graaf en Gerrit Uylenburgh', Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks 27(2001), pp. 177-194. Houbraken was over Gerrit Uylenburgh goed geïnformeerd, want hij schreef dat deze naar Engeland vertrok (en bij Lely werkte) 'en kwam met een aldaar te sterven', a.w. (noot 38), dl. 2, p. 297. Lambour toonde tevens aan dat Gerrit Uylenburgh, hoewel hij in 1666 trouwde met de gereformeerde Elisabeth Juyst, toch lidmaat van de (sinds 1668 verenigde Waterlandse en Vlaamse) doopsgezinde gemeente is gebleven, ibidem, pp. 186-188.
42 D. Mahon, 'Notes on the “Dutch Gift” to Charles II: I', The Burlington Magazine 91(1949), pp. 303-305, II, ibidem, pp. 349-350 en III, ibidem 92(1950), pp. 12-18.
43 (Editorial), 'Sir Peter Lely's collection', The Burlington Magazine 83(1943), pp. 185-191, i.h.b. 187.
44 GAA, not. J. Prise, NA 3658, pp.741-742, dd 3 februari 1668 en A. Bredius, 'De schilder Abraham Uylenborgh', Oud-Holland 2(1884), pp. 219-220.
45 H. Schmidt, 'Das Nachlass-Inventar des Malers Jürgen Ovens', Oud-Holland 32(1914), pp. 29-49, i.h.b. 43.
46 GAA, not. N. Listingh, NA 2617, dd 17 maart 1662.
47 H.L. Straat, 'Lambert Jacobsz, schilder', De Vrije Fries 28(1925), pp. 53-76.
48 J.M. Montias, Le marché de l'art aux Pays-Bas (XVe-XVIIe siècles), Parijs 1996, p. 152 en noot 52 en GAA, not. J. Jansz. Westfrisius, NA 565A, fol.16-35, dd 23-25 maart 1645, i.h.b. 32.